Wie vangt de geopolitieke boemerang, beste politici?

Na de terreuraanslagen in Parijs grijpen westerse politici massaal naar de verlichtingsidealen als antwoord op de extremistische terreur. Tegelijkertijd willen ze met de wapens in de hand de gefaalde staten in het Midden-Oosten democratisch heropbouwen. Ben ik de enige die zich daarbij vragen stelt?

Laten we even terug in de tijd gaan. Na de Conferentie van Berlijn in 1884-1885 verdeelden vijftien Europese landen en de Verenigde Staten onder elkaar de Afrikaanse koek van goud, koper, rubber en andere natuurlijke grondstoffen. Tegelijkertijd werden in het tot dan toe achtergestelde Midden-Oosten enorme voorraden olie gevonden. Tijdens de Eerste Wereldoorlog slaagden Frankrijk en Groot-Brittannië erin het Ottomaanse Rijk uit te schakelen en sloten ze het geheime Sykes-Picotverdrag, waarmee ze definitief de westerse invloed over het Midden-Oost vastlegden. Aangezien ze toegevingen aan bepaalde volkeren gedaan hadden, hertekenden Frankrijk en Groot-Brittannië de kaart om aan de onafhankelijkheidwensen tegemoet te komen.

Na de Tweede Wereldoorlog was Frankrijk te veel verzakt om zijn machtspositie in het Midden-Oosten te behouden. Zijn rol werd ingenomen door de Verenigde Staten die inzagen dat hun eigen oliereserves te beperkt waren. Bovendien knoopten de Amerikanen contacten aan met Saoedi-Arabië dat door twee invloedrijke families tot een machtige speler uitgroeide. De Amerikanen ontplooiden er hun ontginningstechnieken, maar lieten het beheer van de olie aan de Saoedische regering in ruil voor een fikse vergoeding. Ten slotte kregen de joden onder Amerikaanse hun eigen staat Israël.

 Koude Oorlog

Het westerse kolonialisme was ondertussen officieel begraven, maar de grootmachten bleven zich achter de schermen des te meer met de interne politiek van de nieuwe staten te bemoeien. Groot-Brittannië en Frankrijk bleven hun koloniale verleden evenwel met zich meeslepen. Verschillende landen begonnen zich tegen de vroegere kolonisatoren te verzetten, maar omarmden op hetzelfde moment de Verenigde Staten, aangezien zij meer aan hun nationalistische aspiraties tegemoet kwamen. De sterke positie van de Verenigde Staten wekte de aandacht van de toenmalige Sovjet-Unie die als tegenreactie in de Koude Oorlog ook bepaalde regimes begon te ondersteunen.

 In 1979 viel de Sovjet-Unie vervolgens Afghanistan binnen. Op dat moment woedde de Koude Oorlog nog steeds hevig. De Verenigde Staten wilden koste wat kost vermijden dat zijn grootste vijand een belangrijke geopolitiek gebied inpalmde. Daarom besloot de Amerikaanse president Reagan een proxyoorloog te voeren. De Verenigde Staten zouden niet zelf Amerikaanse troepen naar Afghanistan sturen, maar lokale troepen (moedjahedien) financieren. Met de hulp van de Pakistaanse en Saoedische intelligentiediensten gaven ze op die manier het leven aan de Taliban die met guerrillatechnieken de Sovjettroepen versloegen.

Militaire interventies in Irak en Libië

Die nederlaag was het begin van het einde voor de Sovjet-Unie. Enkele maanden later zou de Sovjet-Unie volledig uit elkaar vallen. De Verenigde Staten zegevierden. Het einde van de proxyoorlog was tegelijkertijd het begin van enorme chaos. Door de onenigheid onder de moedjahedien over wie de macht zou overnemen, ontstond een burgeroorlog. Eén man was slim genoeg om het Amerikaanse geld en de technische steun van de CIA in zijn voordeel om te buigen. Osama bin Laden scheurde zich af van de rest van de moedjahedien en creëerde de terreurgroep Al Qaida.

De aanslagen op de WTC-torens en het Pentagon door Al Qaida luidden aan het begin van deze eeuw de opmars van het globale terrorisme in. Het anti-Amerikaanse sentiment groeide in het Midden-Oosten, omdat de geopolitieke spelletjes meer en meer wrevel opwekten. De reactie van de Verenigde Staten bleef niet uit. Na Afghanistan vielen de Amerikanen ook Irak binnen, om te verhinderen dat Saddam Hoessein zijn chemisch wapenarsenaal verder zou ontwikkelen. Vreemd genoeg hadden de Verenigde Staten, Frankrijk en Duitsland in de Iran-Irakoorlog Saddam Hoessein van chemische wapens voorzien om het nieuwe antiwesterse Iraanse regime een zware slag toe te brengen. Stilaan wordt duidelijk dat de plannen van Hoessein om in de grondstoffenhandel niet langer de Amerikaanse dollar te gebruiken, maar de gouden dinar in te voeren, de Amerikaanse belangen te veel zou schaden. Daarop besloten de Verenigde Staten en Groot-Brittannië militair in te grijpen. De internationale interventie stortte Irak in een chaos die ingevuld werd door Al Qaida. Onder leiding van al-Zarqawi begon de organisatie er tijdens het machtsvacuüm terreur te zaaien. Na zijn dood dook plots een nieuwe terreurtak op: Abu Bakr al-Baghdadi stichtte ISI, de Islamitische Staat in Irak.

Recenter kwam een westerse coalitie ondanks een veto van de VN-Veiligheidsraad en onder het mom van de democratische waarden tijdens de Arabische Lente tussen in Libië. Opnieuw werd de militaire interventie in Libië gelegitimeerd door het mogelijke gebruik van chemische wapens. Khadaffi was evenwel al langer een doorn in het oog van de westerse grootmachten, omdat hij weigerde de westerse olie-interesses te verdedigen. Net zoals in Irak raakte het lande compleet gedestabiliseerd en momenteel probeert een rebellengroep verbonden aan ISI er de macht te grijpen.

Syrische proxyoorlog

De huidige situatie in Syrië vertoont angstaanjagende parallellen. Ook daar wil de leider Bashar al-Assad niet langer de Amerikaanse, Britse en Franse oliebelangen dienen. Het discours rond de Syrische burgeroorlog focuste opnieuw sterk op de installatie van de democratie in plaats van een dictatoriaal regime dat chemische wapens tegen zijn burgers zou inzetten. Omdat de westerse publieke opinie niet langer achter een directe militaire interventie staat, lijkt het erop dat de Verenigde Staten via Saoedi-Arabië en Qatar rebellengroepen steunen om het regime van Assad te bestrijden. Ze lijken met andere woorden terug te grijpen naar de techniek van een proxyoorlog.

Waar de Taliban evenwel lange tijd één geheel was, is de versplintering van verschillende lokale groeperingen compleet. In de Syrische chaos is het niet meer duidelijk door wie het Vrije Syrische Leger, Al-Nusra Front, IS en de Koerdische strijders gesteund worden. Door de betrokkenheid van Rusland, dat al jaren een Syrische bondgenoot is, is het geopolitieke mijnenveld in Syrië compleet. Het lijkt erop dat de westerse grootmachten de controle volledig verloren hebben. Ze hebben een virus gecreëerd dat zich nu tegen het Westen verzet.

Derde Wereldoorlog

De geschiedenis heeft aangetoond dat militaire interventies geen enkele oplossing gebracht hebben. Wij, domme westerlingen, hebben lange tijd gedacht dat een gewapende strijd nodig was om onze westerse waarden te verspreiden. We hebben ons pijnlijk vergist. Onze politici konden onder het mom van de democratie hun vuile geopolitieke spelletjes spelen. Sterker nog, onze politici hebben in hun oliezucht de eigen verlichtingsidealen verloochend. De geopolitieke boemerang komt nu met de aanslagen in Parijs pijnlijk in ons gezicht terug, maar het leven van onschuldige burgers in het Midden-Oosten wordt al decennia dagelijks aan flarden geschoten.

We hebben chaos gezaaid, we hebben zelf het terrorisme gevoed, we hebben onze koloniale ambities nooit van ons afgeschud. We hebben volkeren niet alleen in hun eigen land vernederd, we discrimineren ze vandaag als migranten nog elke dag. We hebben hun hoop afgenomen. Is het dan verwonderlijk dat ze zich gedesillusioneerd tegen ons wenden? Is het normaal dat we onder ons hun toekomst beslissen, zonder dat ze mee aan tafel zitten? Is het niet onze verdomde plicht vluchtelingen onderdak te bieden? Imperiale ambities hebben ons al in twee wereldoorlogen gestort. Ik wil geen derde meemaken.

Advertisements
Wie vangt de geopolitieke boemerang, beste politici?

Vergeten generatie Y

In de reeks Generatie Nu probeert De Morgen een beeld van mijn generatie te schetsen. Wij vinden zelfontplooiing en -ontwikkeling, geluk en gezin belangrijker dan knokken voor een carrière. Voor hoogopgeleide twintigers zal dat zonder twijfel het geval zijn, maar denken al mijn leeftijdsgenoten er zo over? Laten we de realiteit alsjeblieft niet verengen. De kloof tussen rijk(er) en arm(er) wordt steeds groter. Dat wordt nu nogmaals bevestigd.

Met een licht ongemakkelijk gevoel verorberde ik mijn anders zo smakelijke zaterdagochtendontbijt. Normaal gezien laat ik het zoveelste onderzoek naar de wensen en verzuchtingen van mijn generatie eenvoudigweg voorbijgaan, maar als een krant zo nadrukkelijk met een jongerenredactie uitpakt, verwacht ik op zijn minst een genuanceerd beeld. Misschien wordt me in de volgende afleveringen een diversere spiegel voorgehouden, toch heb ik indruk dat de realiteit gevaarlijk verengd wordt.

Sta me ten eerste toe om bedenkelijk naar het onderzoek van InSites Consulting te kijken. Hoe representatief is de mening van duizend jongeren om een volledige generatie in kaart te brengen? Mij hebben ze alleszins niet aan de tand gevoeld, mijn stiefzus evenmin. Ik veronderstel bovendien dat de bevraging op zich methodologisch correct verlopen is, maar zijn jongeren – en bij uitbreiding: volwassenen – in een online-enquête wel zo eerlijk of beantwoorden ze de vragen met een bepaald ideaalbeeld over de mogelijke conclusie in het achterhoofd? Ten slotte vraag ik me af of het überhaupt mogelijk is dé Millenial te beschrijven. Een uniforme samenleving lijkt me utopisch.

Avondje tv

Mocht ik dezelfde steekproef in mijn eigen vriendenkring houden, dan verwacht ik gelijkaardige resultaten. In dat opzicht kan ik me gerust met de geschetste identiteit vereenzelvigen. Het is evenwel riskant om met je vertrouwde bril naar de werkelijkheid te kijken. Wanneer ik mijn netwerk op mijn sociale profielen als Facebook, LinkedIn of Twitter onder de loep neem, moet ik met het schaamrood op de wangen bekennen dat 80% van mijn contactpersonen blank is, hogere studies aangevat heeft en zich elk jaar een reis buiten Europa kan veroorloven.

Ik prijs me doodgelukkig dat ik de voorbije maanden ongelooflijk veel kansen gekregen heb, waardoor mijn wereld zoveel breder geworden is. Ik ontmoet mensen die voor veel van mijn leeftijdsgenoten onaantastbaar veraf zijn. Stilaan merk ik wel dat ik de voeling met die andere dagelijkse essentie aan het verliezen ben. “Een avondje Blokken, Thuis en The Voice Kids? Dat verrijkt je leven toch niet”, klinkt het steeds vaker in mijn omgeving. Ongemerkt ontwikkel je dat denkpatroon verder, hol je van de ene receptie naar het andere feestje en verlies je uit het oog dat de gewone werkmens – om het even heel oneerbiedig uit te drukken – juist heel erg naar een zorgeloze avond in de zetel streeft.

Gewoon is al gek genoeg

De media duwen de vergeten generatie Y mee in de vergetelheid. Voor mijn stiefschoonbroer komt een flexibele agenda niet ter sprake. Hij kan zijn eigen carrièrepad niet uitstippelen. Bij hem moet je met dure Engelse marketingtermen niet zijn. Elke dag kruipt hij om vijf uur ’s ochtends uit bed, werkt hij een hele dag lang in weer en wind aan onze verkeersinfrastructuur en stopt hij ’s avonds laat zijn bijna tweejarig zoontje in bed. In het weekend is voetbal zijn uitlaatklep. Een cursus Italiaans volgen? Op Twitter meediscussiëren over het politieke spel? De nieuwe tentoonstelling van Jan Fabre bezoeken? Gewoon is al gek genoeg!

De kloof tussen rijk(er) en arm(er) wordt steeds groter. De economie sputtert, maar zo slecht hebben de werknemers in de dienstensector het absoluut niet. Ja, de werkloosheid is hoog, het jobaanbod niet overweldigend en het loon niet zo rijkelijk als gewenst. Wie enkel met zijn hoofd moet werken, heeft voorlopig nog het grote voordeel dat heel wat werk niet geautomatiseerd kan worden. De echte drama’s spelen zich aan de lopende band af. Routineuze handenarbeid is voor het merendeel van mijn leeftijdsgenoten de enige kans op een degelijke job. Zij zullen niet zo snel hun lot in eigen handen nemen. Ochtend- en avondshifts vragen een compleet andere tijdsinvulling. Spreek hen niet over zelfontplooiing. Geen YOLO-slogans in de fabriekshallen.

Oogkleppen afzetten

Nee, de Millenials slagen er momenteel ook niet in de polariserende maatschappij een halt toe te roepen. Het is aan Generatie Nu om nu in te grijpen, om de gapende scheur te dichten. Ik ben zeker en vast in hetzelfde bedje ziek, maar besef dat het anders moet. The survival of the fittest blijft. Dat veranderen is natuurwetenschappelijk gezien quasi onmogelijk. Laten we daarom beginnen met af en toe onze eigen belangen opzij te schuiven, de dialoog aan te gaan en de oogkleppen af te zetten.

Vergeten generatie Y

Cijferfetisjisme boven langetermijnvisie

De inkt van het nieuwe regeerakkoord is amper opgedroogd, maar zoals steeds doen de beslissingen van de federale onderhandelaars heel wat stof opwaaien. De punten en komma’s zullen nog dagenlang de voorpagina’s van de kranten inpalmen. Als er evenwel één ding duidelijk is, dan is dat het oorverdovende gebrek aan een langetermijnvisie.

Het volledige regeerakkoord heb ik nog niet doorgenomen en zal ik de komende dagen ook niet tot in de fijnste details bestuderen. U kunt me dus gerust een ongefundeerde mening verwijten. Toch laten de flarden gelekte tekst weinig aan de verbeelding over. Het cijferfetisjisme van de regering-Michel moet de eigen achterban, het maatschappelijke middenveld en de Belgische burgers ervan overtuigen dat onze economie dankzij de nieuwe maatregelen weer zal aanzwengelen.

De centrumrechtse partijen hebben niet de minste moeite gedaan om te verbergen dat de federale onderhandelingen slechts één doel hadden: zich van de socialistische regering-Di Rupo distantiëren. Verenigd in de strijd tegen de Waalse PS waren de coalitiegesprekken voorbestemd om te slagen. Niet de bekommernissen van de kiezer, maar de consolidatie van de eigen machtspositie was de afgelopen vier maanden de belangrijkste drijfveer. Het politieke stratego was de kracht van verandering.

Hoewel de regeringspartijen hun toekomstplannen vol vuur zullen verkopen, kan ik niet om de vaststelling heen dat hun verkiezingsprogramma geen conditio sine qua non was. Natuurlijk moet er bij coalitiegesprekken water bij de wijn gedaan worden, maar de kiezer wordt voor de zoveelste keer in zijn blootje gezet. Het verkiezingsspook blijft altijd aanwezig. Zelfs al lijkt 2019 nog veraf. De zogeheten volksvertegenwoordigers doen in de eerste plaats aan zelfbehoud.

Ik ben niet zo naïef om te denken dat het in de politiek ooit anders geweest is. Niettemin word ik horendol van het oorverdovende gebrek aan een langetermijnvisie. Vanzelfsprekend konden de onderhandelaars niet om de Europese richtlijnen, de economische realiteit en de beperkte regeerperiode heen, maar waren 135 dagen niet lang genoeg om verder in de toekomst te blikken?

Iedereen is het erover eens dat de pensioenleeftijd omhoog moet. Ikzelf zie me (op dit moment) makkelijk tot mijn 67ste werken, hoewel ik mij nog op de arbeidsmarkt moet begeven. Als universitair student heb ik nu het voorrecht om vier jaar lang op kosten van de samenleving mijn talenten verder te ontwikkelen. Waarom zou ik dan niet enkele jaren extra aan mijn bureau kunnen zitten? Mijn generatiegenoten, die al vanaf hun 18de aan de slag zijn, denken daar hoogstwaarschijnlijk anders over. Hun arbeidscarrière zal wellicht veel langer en harder dan de mijne zijn.

Als vakantiejob heb ik twee weken lang aan de lopende band gewerkt. Eerlijk? Ik vond het vreselijk. Elke dag fysiek, maar vooral mentaal stikkapot naar huis. Dan is het ongelooflijk moeilijk om jezelf in je vrije tijd volledig te ontplooien. Dan staat politiek engagement niet op je prioriteitenlijstje. Dan besteed je niet zomaar een uurtje aan een opiniebrief.

Vanuit een ivoren toren is het gemakkelijk om de pensioenleeftijd omhoog te trekken. Met het argument dat de vergrijzing ingrijpende maatregelen vereist, zullen de regeringspartijen zich verdedigen. Nu, met een verhoogde pensioenleeftijd alleen zullen ze de toekomstige uitdagingen niet oplossen. Waar blijft de hervorming van onze stagnerende arbeidsmarkt?

De digitale revolutie en globaliserende economie zullen de komende decennia huidige jobs doen verdwijnen. Tegelijkertijd creëert die veranderende omgeving enorme mogelijkheden. Het zou zonde zijn om naar de zelfvoldane navel te blijven staren.

Laten we het debat alsjeblieft niet uit de weg gaan. Hoe kunnen we bijvoorbeeld de verhouding vrije tijd en werk beter op elkaar afstemmen? Hoe kunnen we van de migrantenstroom gebruik maken om de economie een boost te geven en tegelijkertijd de integratie te verbeteren? Hoe kunnen we werknemers motiveren om zichzelf constant bij te scholen?

Hervormen vergt moed. Politici zullen nooit aan ieders wensen tegemoet komen. Toch zal de Belgische representatieve democratie zich opnieuw moeten uitvinden, wil ze haar burgers een betere toekomst voorspiegelen. Het is bijzonder triestig om te zien hoe zelfs discussies in het parlement het niveau van toogpraat nauwelijks overstijgen. Pleit ik daarom voor meer volksinspraak? Niet meteen, maar het lijkt me niet meer dan logisch dat een 21e-eeuwse samenleving 21e-eeuwse concepten verlangt.

Een duidelijk beschreven toekomstkader. Dat mis ik. Innovatieve ideeën. Daarop zit ik te wachten. Van abstracte cijfers zal ik vannacht niet dromen.

Foto: © Stephane Mignon

Cijferfetisjisme boven langetermijnvisie

Gebalde emoties

Morgen wordt in São Paulo het wereldkampioenschap voetbal op gang getrapt. Na twaalf jaren wanhopig wachten mogen ook wij onze Belgische vlaggen weer bovenhalen. Terwijl de Oranjegekte deze keer eerder beperkt blijft, kent de hype rond de Rode Duivels geen grenzen. Op het ritme van de samba maken we ons voor een spetterend spektakel op. Een maand lang filteren we de Braziliaanse onlusten, corrupte FIFA-bazen en overbetaalde voetballers uit ons ethische besef. Mag ik daar gewetenloos in meegaan, alsjeblieft?

Vier en een half jaar was ik toen Zinedine Zidane en Emmanuel Petit hun land op hun kop zetten. De vin, pain et fromage vlogen in het rond. Les Bleus kroonden zich op 12 juli 1998 op eigen grond voor het eerst tot wereldkampioen voetbal. Details van de finale kan ik niet meer uit mijn geheugen opdiepen. Wellicht lag ik toen als een brave jongen vredig te slapen. Wat ik wel nog weet, is dat enkele weken voordien vier mannen met een flesje Jupiler in de hand de woonkamer inpalmden. Telkens het woord Ollanders uit hun mond kwam, voelde ik de spanning stijgen. Op televisie zag ik tweeëntwintig dolgedraaide mannen op elkaar inhakken, met een kale reiger als bemiddelaar. “Hier gebeurt iets historisch”, moet ik gedacht hebben – als ik het begrip historisch al kon definiëren tenminste.

Acht en een half jaar was ik toen Peter Prendergast de verwoedste hooligan in mij naar boven haalde. In de speeltijd troepten enkele juffen, meesters en leerlingen in de refter voor een aftandse televisie in een witte televisiekast samen. Hoewel de bel luidde, bleven we gewoon zitten. België speelde immers in de achtste finale van het wereldkampioenschap voetbal tegen het onklopbaar gewaande Brazilië. De Rode Duivels domineerden tijdens de eerste helft van de partij. Ik vond hem maar een boerse figuur, maar die Marc Wilmots kopte ons toch maar netjes op voorsprong. Althans voor drie seconden. Tot de man in het zwart een gele kaart uit zijn borstzakje haalde. Gevloek alom in de anders zo katholieke Sint-Theresiaschool. Vol adrenaline keerde ik naar het klaslokaal terug en begon aan het tweede deel van mijn proefwerk godsdienst.

Twaalf en een half jaar was ik toen het wereldkampioenschap voetbal plots zonder de Rode Duivels gespeeld werd. Tijdens de kwalificatierondes bleef ik dikwijls verweesd achter. “Nee, in Duitsland zijn we er niet bij”, besefte ik al snel. Mijn eigen voetbalcarrière zat er na een groeispurt net op. Ja, ik volgde de wedstrijden op de voet, maar toch… Geen grote schermen op school, geen sfeer en nog minder passie. Vier jaar later was het vertrouwen in de verdedigers van de vaderlandse eer helemaal de dieperik ingetuimeld. “De Rode Duivels zullen er op een groot toernooi nooit meer bij zijn”, was de teneur. Ik weigerde dat te geloven. Nauwelijks één match heb ik aan mij laten voorbijgaan. Zelfs voor matchen tegen voetbaldwergen zat ik voor de buis. Hopend dat die onbeschrijfbare WK-sfeer ooit zou terugkeren. Smachtend naar het moment waarop heel wat Belgen in hun eigen woonkamer, de plaatselijke sporthal of op een stadsplein plots hun hand op hun hart houden en het anders zo gehate volkslied meebrullen om daarna negentig minuten lang met een ongewoon hoge hartslag alle controle over zichzelf te verliezen.

Twintig en een half jaar zal ik zijn als de Rode Duivels pas in de slotfase van hun eerste poulewedstrijd Algerije van zich afschudden. Een kern van drieëntwintig jongens maakt momenteel haar kinderdroom waar. De omkadering en begeleidende journalisten zijn al even blij er in Brazilië bij te zijn. Duizenden kleine en grote Belgen spiegelen zich aan hun idolen. Heerlijk, toch?

Ja, je kunt zonder twijfel een zeer cynisch betoog over het wereldkampioenschap voetbal in Brazilië schrijven. Een klaagzang over successupporters die nu op een golf van optimisme meesurfen. Een filosofische traktaat over gecreëerde identiteit. Een verhandeling over de macht van de marketing. Een essay over de corrupte en seniele FIFA-bonzen. Een opiniestuk over het geïnvesteerde geld dat beter naar de gewone Braziliaan gevloeid was. Analyses die zonder twijfel nog in één of andere krant zullen verschijnen en op jaknikken onthaald zullen worden. Dergelijke misstanden mogen niet in de doofpot verdwijnen. Daar hoef je me echt niet van te overtuigen.

Een wereldkampioenschap voetbal verdeelt en verenigt tegelijkertijd. Nationale stereotypen worden als scheldtermen bovengehaald. Vrouwen en dochters vervloeken vader en zoon. Voetbalhaters lopen gefrustreerder dan ooit rond. Is het evenwel niet die geladenheid die het leven wat pit geeft; die de grijze geïndividualiseerde samenleving inkleurt; die de sputterende machine smeert? De toegespitste dualiteiten van zo’n evenement brengen mensen in beweging. Het kortstondige hoogte-/dieptepunt van sociale cohesie/versnippering schept ruimte voor een gezamenlijke catharsis. Dat simpele spelletje op gras laat ons vooral weer even naar de essentie teruggaan.

Samen met de kinderen zijn we zelf weer even kind. Onze rationele overwegingen maken plaats voor diepmenselijke, maar o zo eenvoudige emoties. Vreugde, verdriet, verbazing, trots, teleurstelling, sympathie, schaamte, hoop, haat, liefde, angst, afkeer. Het hoort er allemaal bij. De eerste fase van het wereldkampioenschap zit er eigenlijk al op. Straks wordt ons verwachtingspatroon aan de realiteit getoetst. Midden juli wordt alles weer zoals voorheen. Alhoewel, na een wereldkampioenschap is de wereld grondig veranderd. Ook al zal je dat niet meteen vaststellen.

Vooral de impact op de huidige 8- tot 12-jarigen is enorm. Die jongens en meisjes zullen hun ogen opentrekken, wanneer ze al dat bier zien vloeien, al die worsten op de gril zien braden en al die mensen zien juichen of wenen. De Belgische feestcultuur wordt alweer op een nieuwe generatie overgedragen. En nog belangrijker: voor hen is de multiculturele samenstelling van de Rode Duivels een doodgewone zaak; valt het niet op dat Kompany een kleurtje heeft. Bovendien zullen zij – zoals ik twaalf jaar geleden met landen als Paraguay, Senegal en Zuid-Korea kennismaakte – Algerije, Honduras en Iran ontdekken. Lachen met de meest vreemde spelersnamen en wenen bij de dramatische blessure van hun held. Beelden opslaan, waar ze later met nostalgie op terugkijken.

Terwijl de kleintjes groot worden, mogen de groten zich ongestoord een maandje als kleintjes gedragen. Laten we onszelf daarom alsjeblieft de komende dertig dagen niet te serieus nemen. Laten we dromen over Braziliaanse stranden, duivelse doelpunten en intense vreugdetaferelen. Laat het innerlijke beest gecontroleerd los! Na het wereldkampioenschap zal ons wel snel genoeg weer die maatschappelijke spiegel voorgehouden worden. Wat kan, mag en moet. Waarom onze samenleving gedoemd is om te falen. Een kleine doorbreking van de negatieve teneur kan louterend werken.

Ik hoop dat we na het wereldkampioenschap opnieuw beseffen dat mensen nood aan sociaal contact hebben; dat we onze buren opnieuw leren kennen; dat we onze blik opnieuw verruimen naar de mensen rondom ons. Ik hoop dat we na het wereldkampioenschap opnieuw beseffen dat iedereen uniek en toch zo gelijk is; dat een mens een mens blijft. Ik hoop dat de 2000’ers binnen een aantal jaar met even veel plezier herinneringen over hun eigen Bouba Diop, Crespo of Raúl zullen ophalen.

Gebalde emoties

Jongeren aller Europese landen, spreekt!

Ja, ik beken: vorige week maandag heb ik gebrost. “Allez, weer één die te lang op café gezeten heeft”, zult u wellicht denken. Het woord brossen wordt immers – niet geheel ten onrechte – met alcoholmisbruik, rokerige ruimtes en verloedering van de zeden geassocieerd. Wanneer je evenwel de unieke kans krijgt om een kijkje achter de schermen van een zo goed als verborgen wereld te nemen, moet je flexibel met jouw uurrooster durven omgaan.

Eén verdwaalde aankondiging in mijn mailbox, één Duitse tweet en één overtuigende sollicitatiemail. Ziedaar de ingrediënten van mijn selectie voor de vierde Duits-Belgische conferentie in Berlijn. Na een weekje duimen drukken kreeg ik de bevestiging dat ik als jonge journalist op maandag 17 februari in de Duitse hoofdstad verwacht werd om via verschillende media over de conferentie te berichten. Een gloed van trots steeg uit mijn kamer in Leipzig op. Toch huppelde ik niet meteen als een ongeschoolde balletdanser over de houten vloer. “Heb ik daar eigenlijk tijd voor? Mis ik dan geen lessen? Is het wel zo verstandig om mijn studies daarvoor even naar de achtergrond te verdringen?”

“In het leven moet je er gewoon voor gaan, niet twijfelen en risico’s durven nemen”, zei een wijs man me ooit. Die raad indachtig begon ik mijn reis te plannen. ’s Ochtends om 4u.45 met de trein naar Zaventem; daar om 6u.30 de vlucht naar Berlijn nemen; de Belgische ambassade overtuigen om me een plekje op hun speciaal ingelegde bus te geven; na de conferentie me stiekem in het zog van de Belgische vertegenwoordigers zetten, zodat ik ook terug met hen naar de luchthaven kon; om 20u.30 de terugvlucht naar Brussel nemen en even na tien uur met de trein terug richting Antwerpen sporen. Verwachte aankomst op kot: middernacht. Gestructureerd brossen, noemt men dat.

Als voorproevertje mocht ik drie dagen op voorhand in Brussel warm lopen. Wandelend door de Wetstraat werd ik me ervan bewust welke uitzonderlijke opportuniteit ik in de schoot geworpen kreeg. Welke 20-jarige kan zeggen dat hij handjes met de Duitse ambassadeur Cuntz geschud heeft? Dat hij met Belgische en Duitse diplomaten een driegangenmaaltijd in het Egmontpark genuttigd heeft? Dat hij op het Ministerie van Buitenlandse Zaken een presentatie over de werking van onze staatsinstelling kreeg? Of dat hij met twee topjournalisten tussen pot en koffie informeel over actuele thema’s gediscussieerd heeft?

Tot mijn grote verbazing kwamen de diplomaten niet al te diplomatisch uit de hoek. Ze namen tijdens de vele gesprekken allerminst een blad voor hun mond. Als niet-ingewijde viel ik enkele keren steil achterover, toen ze uit de doeken deden hoe de diplomatie achter de massieve gordijnen van de Europese Unie in zijn werk gaat. Met het machtige lobbywerk was ik enigszins vertrouwd, maar ik moest toch meermaals een zure oprisping onderdrukken, toen ik steeds weer vaststelde dat het Europese beleid als een vrijblijvend spelletje Stratego opgevat wordt.

Nee, op de Europese bühne lopen niet enkel experten rond. De kleine lidstaten beschikken vaak niet over de nodige kennis om zich in het debat te mengen. Uit schaamte voor hun gebrek aan expertise werpen ze zich in een meelopersrol, waardoor de invloed van de grote lidstaten alleen maar toeneemt. Die Europese hoofdrolspelers hechten trouwens generlei belang aan de mening van de figuranten. Een Duitse diplomaat bekende zonder schroom dat Duitsland enkel met de visies van Frankrijk, Groot-Brittannië en Polen rekening houdt. Ook de meetingverslagen van Nederland en de Scandinavische landen genieten nog enige interesse, de rest verdwijnt in de papierversnipperaar.

Nee, in de Leopoldswijk beseffen ze niet dat hun dagelijkse handelen het lot van meer dan vijfhonderd miljoen EU-burgers bepaalt. Politiek is in die Brusselse enclave gereduceerd tot een nine-to-fivejob, waarbij enig verantwoordelijkheidsbesef ver te zoeken is. Hoewel ze elke dag met de multiculturele verzuchtingen van onze hoofdstad geconfronteerd worden, lijken de Europese vertegenwoordigers blind voor de realiteit te blijven.

Is het dat riante loon? Is het dat hemelse machtsgevoel? Is het dat bekoorlijke prestige? De menselijke reflex om een verworven status met hand en tand te verdedigen, is sterk. Wie out of the box denkt, té opvallend vernieuwing verkondigt of tegen de meningsstroom in roeit, riskeert die luxepositie te verliezen. Groepsdruk speelt op elk niveau: van de kleuterklas tot het Europees Parlement. Ik zou zelfs durven zeggen dat het tegenwoordig in de politiek allesbepalend is. Het  ontbreekt onze politici aan een totaalvisie. Ideologie is een vuil woord geworden.

Dat was op de vierde Duits-Belgische conferentie alvast zonneklaar. Voor de microfoon bleef het vaak oorverdovend stil. Correcte analyses, daar niet van, maar oplossingen? Vooraleer u antwoordt dat die er niet zijn: in de koffiepauzes tussen de panelgesprekken of bij een curryworst met ketchup aan een Coca Cola-staantafel achteraf komen de tongen wél los en hoor je wél innovatieve ideeën.

In een grotendeels geseculariseerd Europa zoeken de mensen naar houvast. De Europese Unie moet dat aanknopingspunt zijn. Zonder ‘bijbel’, zonder sterke verhalen, zonder toekomstperspectief overtuig je de EU-burgers niet. Illustere Europese staatsmannen, door de Tweede Wereldoorlog getekend, hadden dat groter verhaal. Het is nu aan de jongeren om te spreken, op de voorgrond te treden en het politieke toneel te hervormen. Democratie 2.0, 3.0 of 4.0? Hoe je het ook wil noemen, onze generatie kan de democratie herdefiniëren. Als we zelf onze kansen creëren! Als we zelf heilige huisjes intrappen! Als we zelf ons politiek engageren!

25 mei komt voor een ingrijpende democratische evolutie wellicht te vroeg, maar nu kunnen we dat proces wel al in gang zetten. Filter de politici met een visie uit de troebele eenheidsbrij en geef ze je stem. Laat dat bolletje, kruisje of vinkje evenwel niet voor wat het is. Wacht niet tot de volgende verkiezingen om onze vertegenwoordigers met de vinger te wijzen. In dialoog met hen moeten we het Europese project uitbouwen. Zelfs al moet je daar een dagje voor brossen.

© Foto: Europese Beweging Duitsland/Katrin Neuhauser

Jongeren aller Europese landen, spreekt!

Catharsis

Als kleine jongen knipte ik foto’s uit de krant. Lance Armstrong in zijn gele trui op het slotpodium in Parijs met de Stars and Stripes op de achtergrond en zijn pet van US Postal tegen het hart gedrukt. Vervolgens ging ik op zoek naar dik papier om er zijn silhouet met lijm stevig op te bevestigen. Drie weken lang in juli sierde de afbeelding onze woonkamer. Drie weken lang stond hij onaantastbaar naast onze Philipstelevisie. Drie weken lang werd zijn beeltenis door mij vereerd. The Boss zou koste wat het kost die papperige Duitser, die troosteloze Bask en die zonderlinge Litouwer lik op stuk geven.

Lance Armstrong was mijn rolmodel. Het was hij die, afwisselend met Tom Steels, door mij vertolkt in heroïsche eenmansgevechten het blokje om werd. Keer op keer liet hij zijn denkbeeldige tegenstanders geen schijn van kans. Na een spannende sprint tot op de meet of gewoon indrukwekkend solerend na een vlijmscherpe demarrage op de laatste hellende strook. In de gedaante van een zekere Laurens Soenen was hij de koning van ’t Hooghe in Kortrijk. Het was dankzij hem dat ik zowel op hete zomer- als koude winterdagen op mijn rode fietsje kroop. Die Amerikaan met zijn soepel verzet was het uitgangsbord van zijn sport. Van mijn sport. Hoewel ik toen nog als snelle linksback op frisse zaterdagochtenden op de velden van Dottenijs Sport, FC Gullegem, Sparta Kruiseke te bewonderen was, telde er één sport echt voor mij: het wielrennen.

Tien jaar later is de passie niet uitgedoofd. Allerminst. De rooskleurige bril heb ik echter wel afgezet. Blinde idolatrie is er vandaag niet meer bij. Renners zijn ook maar mensen zoals u en ik. Alleen hebben ze tijdens hun ontwikkeling als zygote het geluk gehad de juiste genencombinaties meekregen te hebben. Want dat wordt in de zaak-Armstrong maar al te snel vergeten. Niet enkel door bloedtransfusies, kuren epo en prikken cortisone reed hij zo snel die Franse Alpen over. Armstrong vernieuwde de wielersport: parcoursverkenningen, souplessetrainingen en uitgekiende voedingsschema’s. Sinds Fausto Coppi had de wielersport geen zo’n revolutionair gekend. Samen met Chris Carmichael legde hij de basis voor de huidige wetenschappelijke benadering van het wielrennen.

Hij had voor iedereen een pilletje klaar.

Enkel op het gebied van doping was hij geen innovator. Armstrong aanvaardde de wielercultuur zoals die was. Net zoals een maatschappelijke cultuur in het algemeen heel afkerig tegenover veranderingen staat – denken we alleen maar aan de huidige protesten in Frankrijk tegen het homohuwelijk – zo worden de ongeschreven wetten van het peloton erg moeilijk herschreven. Als verlichte wielerliefhebber moeten we nu eenmaal beseffen dat bedrog, corruptie en doping evenzeer met de koers verbonden zijn als banden, frames en sturen. Wie zijn plekje in het peloton wil vinden, moet zich schikken naar die cultuur. En heel vaak gebeurt dat onbewust.

Zelf stond ik behoorlijk perplex toen ik op mijn eerste interclub in het Franse Lillers plots naar de verzorger geroepen werd. Hij had voor iedereen een pilletje klaar. Niets bijzonders. Een capsule van het merk Etixx om voor een cafeïneboost vlak voor de start te zorgen. Al mijn ploegmakkers staken het zonder verpinken in hun mond. Ikzelf stopte het in mijn zak en ging toch even de situatie met mijn ouders bespreken. Voor hen, als twee wielerleken, was dit even bevreemdend. Uiteindelijk ging ik overstag en besloot het door te slikken. “Tja, het is een legaal product. Waarom niet even proberen?”

Zo begint het. Zo onopzettelijk accepteer je de gebruiken van het wielerpeloton. Terwijl dergelijke artificiële middelen helemaal niet nodig zijn. Zeker niet als jonge gast van 16 jaar die nauwelijks een jaar deftig aan het trainen is. Van doping is hier in geen sprake, laat dat heel duidelijk zijn. Het is echter wel de eerste stap om je geweten te leren sussen. Zijn die voedingssupplementen immers nodig? Moeten we de beperkingen van ons lichaam niet gewoon erkennen? Als onze ijzerwaarden te laag staan, is dat dan geen teken dat een grens bereikt is? In een pure medische context ligt dit natuurlijk helemaal anders, maar moeten we voor de belangrijkste bijzaak in het leven ons lichaam kunstmatig opvoeren? Vragen voor ethici, als je het mij vraagt.

Al zijn de ethici in dit geval misschien de media, sponsors en wielerliefhebbers. Media willen spectaculaire verhalen, sponsors willen waar voor hun geld en wielerliefhebbers willen knielen voor grootse prestaties. Het moet altijd maar beter, sneller en spannender. Met afschuw werd deze zomer gereageerd toen Bradley Wiggins net voorbij de streep van de laatste tijdrit zijn SRM-computertje uitschakelde. “Wielrenners worden gedegradeerd tot robots.” Conservatieve reacties vlogen ons om de oren. Nostalgisch werden de tijden van Anquetil, Bartali, Hinault en anders Merckx’en opgeroepen. Huh? Kreeg Wiggins niet op hetzelfde moment allerhande dopingvragen, refererend naar de geschiedenis van de Tour, naar zijn hoofd geslingerd? Paradoxaler kan het nauwelijks worden. De wielersport is schizofreen. Om van die kwaal verlost te geraken, moeten er knopen doorgehakt worden. Blijven we de cultuur consequent doortrekken of gooien we het over een andere boeg? Net zoals de Verlichting voor secularisering van West-Europa gezorgd heeft, zo heeft het wielrennen nood aan een radicale omwenteling.

De wielersport is schizofreen.

Met enig afgrijzen las ik de commentaren van ex-coryfeeën op de bekentenissen van Armstrong. José De Cauwer, Maarten Ducrot, Eddy Merckx… Allemaal deden ze hun duit in het zakje. De media smullen. Diezelfde media die Armstrong de voorbije jaren lyrisch bezongen hadden. Laten we met z’n allen die arrogante Amerikaan de grond inboren! Een gezamenlijke catharsis. Over de eigen boter op het hoofd zwijgen we maar. Waarom worden enkel de Tourzeges van Armstrong geschrapt? Waarom wordt Eddy Merckx elk jaar in juli als een koning in Frankrijk ontvangen? Waarom mag Hinault zich opwerpen als podiummeester van de Tour? Schizofreen.

Europa tegen Amerika. Vechten voor onze eigen morzel grond. Eigen gebreken verzwijgen en zoeken naar die collectieve vijand, aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Levenslange schorsing voor Armstrong tot daar aan toe, maar moet hij alleen boeten? Door de Amerikaan als zwarte schaap naar voren te schuiven, kunnen die andere schaapjes zich rustig in zijn schaduw verbergen. En er met hun poten nog eens extra hard tegenaan schoppen. Onterecht, lijkt me. Heeft Armstrong de wereld zoveel meer bedrogen dan Anquetil of Merckx? Hij heeft het spelletje meegespeeld, maar heeft de pech te veel hybris tentoongespreid te hebben.

Als het wielrennen zich echt wil zuiveren, moet het kiezen. Samen met de media, sponsors en supporters. Op heel wat domeinen moet er een lijn gekozen worden. Zowel over het verleden als over de toekomst dient nagedacht te worden. Verlenen we iedereen amnestie of spitten we alles tot op het bot uit en verketteren we iedereen met even strenge zweep? Beleven we de komende jaren even veel plezier aan ritten van honderdtwintig kilometer over twee bergen aan 32 km/h of moet het echt over zes loodzware cols aan 38 km/h? Brengen we de wielersport dichter bij het menselijke of blijven we opkijken naar die smalle, goddelijke gestaltes? Kiezen we voor logische evolutie of revolutie?

Al blijft de vraag: kan de wielersport ooit volledig met zichzelf in het reine komen? Ondanks alle kenteringen die we in de geschiedenis meegemaakt hebben, is de mens mens gebleven. We maken nog even veel oorlog als in het verleden, we misbruiken onze macht nog even veel als in de klassieke oudheid en we bedriegen nog even veel onszelf en anderen om ons eigen lot te verbeteren. Het onverbeterlijke streven naar het beste leidt tot catastrofes. Waaruit we lessen trekken, maar die we binnen de kortste keren opnieuw maken. Een eeuwige cyclus.

Ondertussen werpen we vrolijk stenen naar die Texaan. Zonder enige vorm van zelfreflectie spuien we onze mening. Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen, zou ik zeggen. Als we eerlijk zijn met onszelf, dan smijt niemand ook maar iets. Foto: © Epsilon Euskadi 

Catharsis